Acht dagen vrijheid - Luxemburg tot de Italiaanse meren

Een onvergetelijke toerrally door de mooiste bergwegen van Europa

Sommige autoritten blijven niet alleen in je geheugen hangen omdat de route mooi was, maar vooral omdat alles op het juiste moment samenkwam. De wegen, het landschap, het weer, de mensen en vooral het gevoel onderweg te zijn. Onze meerdaagse toerrally in juni 2002 was zo’n reis.

Met een grote groep deelnemers begonnen we aan een avontuur dat ons in acht dagen door een indrukwekkend deel van Europa zou voeren. Niet de snelste verbindingen of de bekendste toeristische routes stonden centraal, maar juist de wegen waar het stuurwerk het verschil maakte. Smalle bergwegen, stille dalen, haarspeldbochten en passen waar je vanzelf wat langzamer gaat rijden omdat er achter iedere bocht weer een nieuw uitzicht wacht.

Vanaf het eerste moment werkte alles mee. De zon scheen vrijwel onafgebroken, de wegen lagen er droog bij en de bergen lieten zich van hun mooiste kant zien. Het was precies het soort weer waarvan iedere liefhebber van autorijden droomt. De ramen konden open, de geur van bossen en bergweiden kwam de auto binnen en iedere ochtend voelde als het begin van een nieuw avontuur.

Maar een toerrally draait natuurlijk niet alleen om kilometers maken. Het zijn juist de momenten tussendoor die een reis bijzonder maken. De koffie op een terras boven een rivier, het korte praatje met andere deelnemers op een verlaten parkeerplaats hoog op een pas, het wachten omdat een kudde koeien rustig de weg overstak of het onverwachte uitzichtpunt waar iedereen vanzelf even stopte. Kleine gebeurtenissen die op het moment zelf gewoon onderdeel van de dag zijn, maar later de mooiste herinneringen blijken.

Als bestuurder en navigator vormden we een team. De één geconcentreerd op de weg, de ander met het routeboek en de aanwijzingen binnen handbereik. Soms was de volgende bocht al duidelijk zichtbaar, soms moesten we even zoeken naar het juiste weggetje. Juist die samenwerking maakte het rijden samen zo leuk. Iedere pas, iedere afdaling en iedere nieuwe etappe werd een gezamenlijk avontuur.

De route voerde ons vanuit Luxemburg via Duitsland en Zwitserland naar de Italiaanse meren en vervolgens diep de Alpen in. We reden door het Schwarzwald, langs de Rijnwaterval, over historische passen zoals de Klausenpas en de Gotthardpas, langs het Lago Maggiore en uiteindelijk over legendarische namen als de Stelvio, Gavia en Flüelapas.

Maar deze reis was meer dan een verzameling bergpassen. Het was een aaneenschakeling van momenten: het geluid van de motor die omhoog klimt, het ritme van opeenvolgende bochten, de stilte boven op een pas en het gevoel dat de wereld even alleen uit bergen, wegen en vrijheid bestaat.

Jaren later denken we nog vaak terug aan die zomer van 2002. Aan de zonnige dagen, de prachtige wegen en de mensen die dezelfde passie deelden. Het was een reis die we zonder twijfel nog een keer zouden willen rijden.

De route lag klaar. De auto stond voor vertrek.

En toen begonnen de eerste kilometers richting Luxemburg-Stad…

Dag 1 - Een veelbelovend begin tussen kastelen en bossen

Sommige reizen beginnen zodra je de sleutel omdraait, andere beginnen al maanden eerder aan de keukentafel met kaarten, routeboeken en gezonde voorpret. Onze meerdaagse toerrally in juni 2002 hoorde duidelijk in die laatste categorie. Met ruim 125 equipes verzamelden we ons in Luxemburg-Stad, waar de eerste zonnestralen al beloofden dat het een bijzondere week zou worden. Dat vermoeden bleek later meer dan terecht.

Zodra we de stad achter ons lieten, veranderde het landschap. De brede wegen maakten plaats voor smalle slingerweggetjes die zich een weg baanden door glooiende heuvels, kleine dorpen en groene valleien. De route voelde alsof hij speciaal voor liefhebbers van autorijden was uitgetekend. Elke bocht nodigde uit tot de volgende en nergens was haast nodig. Via Waldhof en Grevenmacher reden we ontspannen richting de Moezel, terwijl de frisse geur van bossen en pas gemaaid gras door de open ramen naar binnen waaide.

Bij Saarburg wachtte een eerste rustpunt dat meteen indruk maakte. Boven de rivier de Saar genoten we bij de oude burchtruïne van een welverdiende kop koffie. Vanaf het terras keken we uit over het dal, waar de rivier zich rustig tussen de beboste hellingen slingerde. Rondom ons stonden overal deelnemers geanimeerd over de eerste kilometers te praten. Iedereen had dezelfde brede glimlach; de vakantie was nu echt begonnen.

Daarna trok de route verder door het prachtige natuurpark Saar-Hunsrück. De wegen werden nog stiller en kronkelden eindeloos door dichte bossen. Af en toe passeerden we een klein dorpje waar de tijd leek stil te staan. Even ten noorden van Zweibrücken vonden we onze picknickplaats, verscholen tussen hoge bomen. Overal stonden rallyauto's verspreid tussen het groen en werd druk nagepraat over de mooiste bochten van de ochtend.

De middag bracht misschien wel het mooiste stuk van de dag. Door het Pfälzerwald volgden de hoogteverschillen elkaar in rap tempo op. Steile afdalingen van tien procent gingen bijna ongemerkt over in pittige beklimmingen van twaalf en elf procent. Het stuur bleef voortdurend in beweging en juist dat maakte dit traject zo heerlijk. Vlak voor de Franse grens veranderde het asfalt zelfs korte tijd in een onverhard pad dat naar een afgelegen grensovergang leidde. Het stof dwarrelde achter ons op terwijl we langzaam de grens passeerden. Het voelde als een klein avontuur binnen een toch al bijzondere route.

Bij Gimbelhof hielden we halt voor een theepauze. Op het terras lag Château de Fleckenstein indrukwekkend tegen de heuvels, terwijl aan de horizon de eerste uitlopers van de Vogezen zichtbaar werden. We bleven er langer zitten dan gepland; sommige uitzichten verdienen nu eenmaal wat extra minuten.

Via de Col du Pigeonnier bij Climbach daalden we af naar Wissembourg, waarna de route door de stille bossen van het Bienwald richting Karlsruhe liep. Een kort stukje snelweg bracht ons sneller naar Pforzheim, maar al snel verlieten we de drukte weer voor landelijke wegen langs de Würm. Tegen de avond arriveerden we in Sindelfingen. Eerst nog even snel tanken, daarna een uitstekend buffet in het hotel. Zoals het hoort eindigde de avond niet meteen op de kamer, maar met sterke verhalen aan de bar. De eerste dag had de toon gezet, en stiekem vroegen we ons af hoe dit nog mooier kon worden.

Dat antwoord zou het Schwarzwald ons de volgende ochtend geven.

Dag 2 - Het Zwarte Woud en de eerste kennismaking met Zwitserland

Na de gezellige avond in Sindelfingen was het de volgende ochtend verrassend stil op de parkeerplaats. Natuurlijk waren er overal deelnemers bezig met routeboeken, bandenspanning en een laatste poetsbeurt, maar zodra de motoren één voor één tot leven kwamen, voelde iedereen dat er opnieuw een prachtige dag voor ons lag. De zon stond alweer aan een strakblauwe hemel. Achteraf zouden we ons realiseren hoe bijzonder het was dat het weer ons de hele week zo gunstig gezind bleef.

Nog voordat de bebouwing helemaal uit zicht was, doken we de bossen van natuurpark Schönbuch in. De wegen werden smaller, de bochten volgden elkaar sneller op en het verkeer verdween bijna volledig. Via Böblingen, Herrenberg en Nagold reden we steeds dieper het Schwarzwald in. Het was zo'n route waarop bestuurder en navigator nauwelijks woorden nodig hadden. De aanwijzingen kwamen op het juiste moment en de auto leek vanzelf het ritme van de weg te vinden.

In Freudenstadt lonkte het grote marktplein voor een koffiepauze. Op de terrassen zaten overal deelnemers van de rally, herkenbaar aan de routeboeken die naast de koffiekopjes lagen. Er werd druk gespeculeerd over wat de middag zou brengen, terwijl de geur van verse koffie zich mengde met die van warme dennenbossen die de stad omringen.

Vanaf Freudenstadt werd het landschap ruiger. De klim naar de Brandenkopf was een feest om te rijden. Het asfalt kronkelde eindeloos omhoog tussen hoge sparren, waarbij iedere bocht weer een nieuw uitzicht bood. Boven op de 933 meter hoge top leek de wereld even stil te staan. Bij de Berggaststätte genoten we van koffie, terwijl tientallen rallyauto's verspreid over de parkeerplaats stonden. Sommigen poetsten nog snel een voorruit, anderen genoten zwijgend van het uitzicht. Zo'n plek nodigt uit om even niets te doen.

Na de pauze reden we verder richting Rohrhardsberg. Het Schwarzwald liet opnieuw zijn mooiste kant zien met afwisselend dichte bossen, open bergweiden en kleine boerderijen die verscholen lagen tussen het groen. Bij de kabelbaan vonden we de een picknickplek. Terwijl we onze heerlijke lunch genoten, klonk in de verte alleen het gerinkel van koeienbellen. Een nieuwsgierige koe besloot onze parkeerplaats te inspecteren, alsof ook zij wilde weten waar al die bijzondere auto's vandaan kwamen.

De middag bracht misschien wel het meest speelse traject van de dag. Vanaf Triberg stuurde de route ons over smalle binnenwegen die soms nauwelijks breder waren dan één auto. Het asfalt golfde over de heuvels en vroeg voortdurend om concentratie. Onderweg maakten we vanzelfsprekend even tijd voor de beroemde watervallen van Triberg, waar het water met indrukwekkende kracht tussen de rotsen naar beneden stortte.

Niet veel later volgde een spectaculaire afdaling van zestien procent richting de Zwitserse grens bij Fützen. De auto bleef mooi op de motor afremmen terwijl iedere haarspeldbocht weer een nieuw vergezicht over het dal opleverde. Even later passeerden we ongemerkt de grens. Het voelde bijzonder: de Alpen kwamen nu echt dichterbij.

Voordat we koers zetten naar Zürich maakten we nog een uitgebreide stop bij de Rheinfall van Schaffhausen. Zowel vanaf de oever als vanaf Schloss Laufen bekeken we het kolkende water. Op het terras met uitzicht over de waterval smaakte de koffie misschien nog wel beter dan die eerder die dag. De kracht van het water vormde een mooi contrast met de rust van de wegen waarover we de hele dag hadden gereden.

De laatste etappe bleek verrassend afwisselend. Bij Rheinau reden we over de smalle houten Zollhausbrücke, waar slechts één auto tegelijk overheen kon. Even later staken we opnieuw de grens over bij Rafz en vervolgens nog een keer terug richting Zwitserland. Dat voortdurende wisselen van landen gaf de route iets speels. Tegen de avond bereikten we Zürich. Eerst nog even tanken, daarna wachtte een uitstekend driegangendiner in het hotel.

Zoals inmiddels traditie was geworden, eindigde ook deze avond met sterke verhalen aan de bar. De Brandenkopf, Triberg en de Rheinfall waren het gesprek van de avond, maar steeds vaker viel ook één naam: de Klausenpas. Morgen zouden we eindelijk de hoge Alpen in rijden.

En juist daar leek de reis pas echt te beginnen.

Dag 3 - De dag waarop de Alpen hun ware gezicht lieten zien

Na twee prachtige dagen voelde het alsof de reis rustig had toegewerkt naar dit moment. Tijdens het ontbijt gingen de gesprekken nauwelijks nog over het Schwarzwald of de Rheinfall. Iedereen had het over bergpassen. Namen als Pragel, Klausen, Gotthard en Oberalp klonken als muziek in de oren van iedere liefhebber van mooie stuurwegen. De lucht was opnieuw strakblauw en geen wolkje leek van plan onze plannen te verstoren.

Vanuit Zürich verlieten we al snel de drukte. Langs de oevers van de Zürichsee glinsterde het water in de ochtendzon, terwijl de weg zich rustig omhoog werkte richting de Buchenegg. Vanaf hier werd het uitzicht steeds indrukwekkender. Bij de Ägerisee leek het water haast naadloos over te lopen in de omliggende bergen. We genoten van het rustige tempo; de echte uitdaging kwam nog.

In Schwyz hielden we koffiepauze op het sfeervolle plein tussen de historische gebouwen. Het was zo'n plaats waar je gemakkelijk een uur langer blijft dan de bedoeling is. De terrassen zaten vol met deelnemers die allemaal hetzelfde verwachtingsvolle gevoel hadden. Zodra de koffie op was, draaiden we de sleutel weer om. Nu begon het werk waarvoor we waren gekomen.

De weg naar de Pragelpass bleek alles wat we hadden gehoopt. Vanuit Muotathal werd het asfalt steeds smaller totdat het op sommige stukken nauwelijks breder was dan één auto. Hoge bomen sloten zich om de weg heen, waarna het bos zich plotseling opende en een groene bergvallei zichtbaar werd. Het voelde alsof iedere bocht een nieuw schilderij onthulde. Regelmatig kwamen we een tegenligger tegen en dan was het rustig manoeuvreren, vriendelijk zwaaien en weer verder. Boven op de pas stonden een klein kerkje en een eenvoudige herberg. Geen drukte, geen souvenirwinkels, alleen stilte, frisse berglucht en het tevreden geluid van afkoelende motoren.

Langs de diepblauwe Klöntalersee reden we verder richting Glarus. Het spiegelgladde water weerspiegelde de omliggende bergwanden zo perfect dat we er vanzelf even voor stopten. Soms hoeft een uitzicht geen woorden te krijgen.

Na de lunch bij Berggasthaus Schwammhöhe wachtte misschien wel de mooiste klim van de hele reis tot dan toe: de Klausenpas. Al vanaf Linthal begon de weg stevig te stijgen. De eerste haarspeldbochten volgden elkaar snel op en vroegen alle aandacht van bestuurder én navigator. Daarna veranderde het karakter van de pas. De weg werd vloeiender en slingerde over groene alpenweiden, terwijl besneeuwde bergtoppen steeds dichterbij kwamen.

Boven op bijna tweeduizend meter hing een heerlijke nostalgische sfeer. Lage stenen muurtjes, oude wegwijzers en de karakteristieke galerieën maakten de Klausenpas tot een bergweg zoals je die hoopt aan te treffen. Geen moderne franje, maar puur autorijden. De afdaling richting Uri was minstens zo indrukwekkend. Op sommige plaatsen leek de weg letterlijk uit de bergwand gehakt. Haarspeldbochten volgden elkaar in hoog tempo op, afgewisseld met korte tunnels en rotspartijen die vlak langs de auto voorbij gleden. Bij Restaurant Posthaus Ürigen genoten we van een welverdiende pauze, terwijl beneden in het dal de route al zichtbaar lag te wachten.

De volgende uitdaging liet niet lang op zich wachten. Via Wassen bereikten we de beroemde Gotthardpas. De vele tunnels in het dal maakten langzaam plaats voor de historische pasweg. Hier reed niet alleen de auto omhoog, maar ook onze verwachtingen. We passeerden de legendarische Teufelsbrücke, een plek waar geschiedenis en berglandschap prachtig samenkomen. Even later reden we Andermatt binnen, waar Hotel Drei Könige & Post een perfecte plek bleek voor een korte stop.

Toch was de dag nog niet voorbij. De klim naar de Oberalppas vormde een waardige afsluiting. Op 2.046 meter genoten we nog één keer van het overweldigende Alpenlandschap voordat de afdaling begon. De weg kronkelde met eindeloze bochten naar beneden richting Disentis-Mustér. Het was zo'n afdaling waarbij je steeds denkt: nog één bocht... en daarna nog één.

Aan het einde van de middag parkeerden we de auto bij het hotel. Eerst nog even tanken, daarna wachtte opnieuw een uitstekend driegangendiner. Zoals iedere avond vulde de bar zich langzaam met deelnemers die elkaar probeerden te overtuigen welke pas vandaag de mooiste was. De één koos voor de smalle Pragelpass, de ander voor de nostalgische Klausen of de imposante Gotthard. Wij kwamen er eigenlijk niet uit. Misschien hoefde dat ook helemaal niet.

Terwijl buiten langzaam de avond over de bergen viel, keken we alvast uit naar de volgende dag. De route zou ons over de Lukmanier naar de Italiaanse sfeer van Ticino brengen, met Lago Maggiore als schitterend decor.

De volgende uitdaging liet niet lang op zich wachten. Via Wassen bereikten we de beroemde Gotthardpas. De vele tunnels in het dal maakten langzaam plaats voor de historische pasweg. Hier reed niet alleen de auto omhoog, maar ook onze verwachtingen. We passeerden de legendarische Teufelsbrücke, een plek waar geschiedenis en berglandschap prachtig samenkomen. Even later reden we Andermatt binnen, waar Hotel Drei Könige & Post een perfecte plek bleek voor een korte stop.

Toch was de dag nog niet voorbij. De klim naar de Oberalppas vormde een waardige afsluiting. Op 2.046 meter genoten we nog één keer van het overweldigende Alpenlandschap voordat de afdaling begon. De weg kronkelde met eindeloze bochten naar beneden richting Disentis-Mustér. Het was zo'n afdaling waarbij je steeds denkt: nog één bocht... en daarna nog één.

Aan het einde van de middag parkeerden we de auto bij het hotel. Eerst nog even tanken, daarna wachtte opnieuw een uitstekend driegangendiner. Zoals iedere avond vulde de bar zich langzaam met deelnemers die elkaar probeerden te overtuigen welke pas vandaag de mooiste was. De één koos voor de smalle Pragelpass, de ander voor de nostalgische Klausen of de imposante Gotthard. Wij kwamen er eigenlijk niet uit. Misschien hoefde dat ook helemaal niet.

Terwijl buiten langzaam de avond over de bergen viel, keken we alvast uit naar de volgende dag. De route zou ons over de Lukmanier naar de Italiaanse sfeer van Ticino brengen, met Lago Maggiore als schitterend decor.

Dag 4 - Van de hoge Alpen naar de Italiaanse zon

Na drie dagen vol indrukwekkende bergpassen voelden we ons inmiddels helemaal thuis in het ritme van de rally. De routeboeken lagen vertrouwd tussen ons in, de samenwerking verliep bijna vanzelf en iedere ochtend begonnen we met dezelfde nieuwsgierige vraag: welke weg gaat vandaag de meeste indruk maken? Het antwoord bleek opnieuw verrassend veelzijdig.

Vanuit Disentis verlieten we het hotel terwijl de zon de bergtoppen langzaam goud kleurde. Al snel begon de klim naar de Lukmanierpas. In vergelijking met de passen van de vorige dag had deze bergweg een vriendelijker karakter. De bochten waren vloeiender en de weg leek zich ontspannen door het landschap te bewegen. Juist daardoor kregen we alle tijd om van de omgeving te genieten. We reden langs uitgestrekte bergweiden, donkere dennenbossen en kristalheldere beekjes die zich haastig een weg naar beneden zochten.

Hoe hoger we kwamen, hoe indrukwekkender het panorama werd. Het stuwmeer op de pas lag er spiegelglad bij en weerspiegelde de strakblauwe lucht alsof iemand het water had gepolijst. We parkeerden even op een vrijwel verlaten uitwijkplaats. Alleen het zachte tikken van een afkoelende motor en het gerinkel van een paar koeienbellen doorbraken de stilte. Zulke momenten laten zich niet plannen; ze overkomen je gewoon en blijven jaren later nog haarscherp in je geheugen.

Na de afdaling veranderde het landschap langzaam maar merkbaar. De ruige Alpen maakten plaats voor zachtere heuvels, kastanjebossen en dorpjes met een steeds zuidelijker karakter. Via Biasca en Claro naderden we Bellinzona, waar de drie middeleeuwse kastelen al van verre boven de stad uitstaken. Voor onze koffiepauze reden we omhoog naar Castello Sasso Corbaro. Op het terras op de binnenplaats genoten we van een cappuccino terwijl we uitkeken over de daken van Bellinzona. De zon verwarmde de oude stenen muren en even leek het alsof de tijd hier eeuwenlang had stilgestaan.

Na de pauze volgden we de route richting Locarno. De bergen weken langzaam uiteen en ineens lag daar het Lago Maggiore, fonkelend in de middagzon. De boulevard van Muralto vormde een heerlijk decor voor de lunch. Vanaf het terras keken we uit over elegante zeilboten en klassieke motorboten die zachtjes tegen de steigers wiegden. De sfeer was totaal anders dan in de Alpen. Hier leek niemand haast te hebben.

Toch wachtte nog een van de mooiste verrassingen van de dag. Vanuit Ascona reden we het vrijwel onbewoonde Centovalli binnen. De naam – honderd dalen – bleek geen woord te veel. De smalle weg kronkelde langs diepe kloven, bruggen en dichtbeboste hellingen. Soms reden we minutenlang zonder een andere auto tegen te komen. Alleen af en toe kruiste het smalspoortreintje onze route, waarna het weer stil werd. Het voelde alsof deze vallei speciaal was aangelegd voor liefhebbers van autorijden.

Bij Camedo staken we ongemerkt de Zwitsers-Italiaanse grens over. Daarna volgde een klein, uitdagend weggetje richting Cannobio. De afdaling bood een adembenemend uitzicht over het Lago Maggiore. We stopten vanzelf op een klein parkeerhaventje waar al enkele rallydeelnemers stonden te genieten van hetzelfde panorama. Niemand zei veel; sommige uitzichten spreken voor zichzelf.

In de haven van Cannobio dronken we nog iets op een terras aan het water voordat we aan de laatste etappe begonnen. De weg langs de westelijke oever van het Lago Maggiore was een prachtig slotstuk. Het asfalt volgde iedere bocht van het meer, terwijl aan de ene kant kleurrijke dorpjes en villa's tegen de hellingen lagen en aan de andere kant het diepblauwe water glinsterde. Via Verbania bereikten we uiteindelijk Baveno.

Zoals iedere avond hoorde daar een klein ritueel bij. Eerst nog snel de tank vullen, daarna inchecken in het indrukwekkende Grand Hotel Dino, waar een uitstekend viergangendiner op ons wachtte. De gesprekken aan tafel gingen deze keer niet alleen over haarspeldbochten en bergpassen, maar ook over het verrassende contrast tussen de ruige Alpen en de bijna mediterrane sfeer van Ticino en het Lago Maggiore. Later, in de hotelbar, werden de verhalen vanzelf weer iets sterker naarmate de avond vorderde.

De volgende ochtend zou het tempo even omlaag gaan. Eerst wachtte een ontspannen bezoek aan de Borromeïsche eilanden, voordat we opnieuw de bergen zouden opzoeken voor een heel andere, maar minstens zo bijzondere route.

Dag 5 - Een rustige ochtend aan het Lago Maggiore en een verrassende bergweg

Na de indrukwekkende Alpenritten van de afgelopen dagen voelde de ochtend in Baveno bijna als een kleine vakantie binnen de vakantie. Voor het eerst hoefden we niet direct met het routeboek in de hand klaar te staan. De auto bleef nog even op zijn plek staan en wij konden rustig genieten van de omgeving rond het Lago Maggiore.

De zon stond alweer hoog boven het water toen we aan boord gingen voor het bezoek aan de eilanden. Vanaf de boot zagen we Baveno en de omliggende bergen langzaam kleiner worden. De eilanden Isola di Pescatori en Isola Bella waren een prachtige afwisseling na alle bergwegen. Smalle straatjes, oude huizen, kleine pleintjes en terrasjes waar de tijd leek stil te staan. We slenterden zonder haast langs de kades en genoten van een totaal andere kant van Italië. Geen haarspeldbochten of stijgingspercentages, maar boten, bloemen en het rustige ritme van het meer.

Na deze ontspannen ochtend was het in de middag weer tijd om de auto op te zoeken. De route naar Mottarone zorgde meteen voor een heel andere ervaring. Vanuit Baveno begonnen we aan de klim omhoog. De weg werd smaller naarmate we hoger kwamen en bij Coiromonte werd het pas echt bijzonder. Het weggetje was op sommige plaatsen nauwelijks twee meter breed. Hier reden we niet zomaar een berg op; we verkenden een vergeten stukje Italië waar iedere bocht opnieuw verraste.

De kleine breedte van de weg vroeg volledige aandacht. Een tegenligger betekende rustig zoeken naar een verbreding, even wachten en elkaar vriendelijk begroeten. Juist dat maakte deze route zo leuk. Het was geen race tegen de klok, maar puur genieten van het rijden zelf.

Boven op Mottarone wachtte een heel andere sfeer. Op ruim 1.400 meter hoogte hadden we een fantastisch uitzicht over de omgeving. Tijdens de high tea op de berg keken we uit over het Lago Maggiore en de omliggende toppen. Op heldere dagen leek het alsof de hele wereld onder ons lag. De combinatie van bergen, meren en het warme Italiaanse licht maakte deze plek bijzonder.

De afdaling richting Baveno was minstens zo interessant als de klim. Smalle bochtenwegen slingerden naar beneden en bij iedere haarspeldbocht veranderde het uitzicht. Via Gignese, Vezzo en Vedasco reden we langs prachtige villa's en rustige bergdorpen terug richting Stresa. Het stadje zelf voelde bijna filmisch aan met zijn elegante gebouwen, palmbomen langs het water en de statige hotels aan de boulevard.

Terug bij het Grand Hotel Dino sloten we de dag af zoals we inmiddels gewend waren. Eerst nog even de tank vullen, daarna ontspannen aanschuiven voor opnieuw een uitstekend viergangendiner. Aan tafel werden de ervaringen van de afgelopen dagen opnieuw gedeeld. De één sprak nog over de Klausenpas, de ander over het Centovalli of de smalle weg naar Coiromonte.

De reis had inmiddels een mooi ritme gevonden: iedere dag weer nieuwe wegen, nieuwe landschappen en nieuwe herinneringen. Morgen zouden we het Lago Maggiore achter ons laten en opnieuw richting de hoge bergen trekken, met een route die ons uiteindelijk naar het ruige Livigno zou brengen.

Dag 6 - Van het Lago Maggiore naar de hoge wereld van Livigno

De ochtend in Baveno begon rustig, maar iedereen voelde dat er weer een echte rijdag op ons wachtte. De ontspannen sfeer van het Lago Maggiore zou plaatsmaken voor een route vol hoogteverschillen, snelle bochten en indrukwekkende uitzichten. De bergen riepen weer.

De eerste etappe begon niet direct met sturen, maar met een bijzondere overtocht. Vanuit Baveno reden we naar de veerboot die ons over het Lago Maggiore naar de oostelijke oever zou brengen. Het kopen van het juiste kaartje bleek een klein avontuur. De Italiaanse uitleg, de verschillende mogelijkheden en onze beperkte kennis van het Italiaans zorgden voor wat overleg en gebaren bij het loket. Uiteindelijk stonden we met het goede ticket op de boot en konden we genieten van een prachtig uitzicht over het meer.

Vanaf het water zagen we de bergen rondom het Lago Maggiore langzaam dichterbij komen. Eenmaal aangekomen bij Laveno-Mombello begon het echte werk. De route trok direct de bergen in en veranderde al snel in een uitdagend traject met snelle, smalle wegen en veel hoogteverschillen. De combinatie van goede wegen, weinig verkeer en eindeloze bochten maakte dit precies het soort rijden waarvoor we naar Italië waren gekomen.

Via Mesenzana en Marzio klommen we hoger langs de oostzijde van het meer. De auto voelde licht en wendbaar aan op de slingerende wegen. Soms volgden de bochten elkaar zo snel op dat de navigator nauwelijks tijd had om vooruit te kijken in het routeboek. Dan was het vooral genieten van het ritme: remmen, insturen, accelereren en opnieuw de volgende bocht zoeken.

Bij Sighignola, de beroemde Balcone d’Italia, wachtte een van die momenten die je niet snel vergeet. Hoog boven de omgeving lag een fantastisch uitzichtpunt. Beneden zagen we het meer zich uitstrekken tussen de bergen. Tijdens de afdaling volgden opnieuw prachtige haarspeldbochten. We vonden de rustige plek van de picknick en genoten van het uitzicht terwijl de zon op het water schitterde.

Daarna ging de route verder richting Porlezza en Menaggio. Het landschap veranderde opnieuw. Het Lago Maggiore lag achter ons en langzaam kwam het indrukwekkende Comomeer in beeld. De weg langs het meer bood telkens nieuwe panorama’s: diepe blauwe kleuren, steile berghellingen en dorpen die tegen de rotswanden gebouwd leken.

In Chiavenna maakten we een langere stop. Het oude stadje was een perfecte plek om even rond te lopen en de sfeer op te snuiven. Smalle straatjes, historische gebouwen en gezellige pleinen vormden een mooi contrast met de bergwegen waarop we de hele dag hadden gereden.

Maar de dag was nog lang niet voorbij. Vanuit Chiavenna begonnen we aan de klim naar de Malojapas op 1.815 meter. De overgang van het Italiaanse dal naar het Zwitserse Engadin was indrukwekkend. De begroeiing veranderde, de lucht werd frisser en de bergen kregen een ruiger karakter. Bij het Meer van Silvaplana voelden we opnieuw die typische Alpenrust.

Via Maloja bereikten we uiteindelijk het mondaine St. Moritz. Even was het vreemd om na al die verlaten bergwegen ineens tussen luxe hotels en prachtige gebouwen te rijden. Een welverdiende pauze maar we konden hier niet lang te blijven, want de volgende pas wachtte alweer.

De Berninapas bracht ons naar grote hoogte. Op 2.230 meter reden we langs indrukwekkende bergtoppen en gletsjerlandschappen richting de Passo di Forcola op 2.315 meter. De weg voelde steeds avontuurlijker aan naarmate we dichter bij Livigno kwamen. De hoogte, de stilte en het ruige landschap maakten duidelijk dat we opnieuw een andere wereld binnenreden.

Aan het einde van de middag bereikten we Livigno. Eerst nog even tanken, zoals inmiddels een vast onderdeel van onze aankomsten was geworden. Daarna wachtte het hotel, een heerlijk driegangendiner en natuurlijk opnieuw de bar. De verhalen kwamen vanzelf. Iedereen had zijn eigen favoriete moment van de dag: de veerboot, de haarspeldbochten bij Sighignola, het uitzicht op het Comomeer of de hoge passen rond St. Moritz.

Maar één naam werd steeds vaker genoemd: de Stelvio.

Morgen stond de koning van de Alpenpassen op het programma.

Dag 7 - De koning van de Alpen en de wegen zonder vangrails

Bij het ontbijt in Livigno hing een bijzondere spanning in de lucht. Iedereen wist wat er op het programma stond. De afgelopen dagen hadden we prachtige passen gereden, maar vandaag stond de route van de dromen op papier. De Stelviopas wachtte. Een naam die iedere liefhebber van autorijden kent en die in juni 2002, tijdens deze toerrally, werkelijkheid zou worden.

We verlieten Livigno via de bekende galerijen langs het meer. De ochtendzon viel tussen de bergen door en weerspiegelde in het rustige water. Al snel reden we door de éénbaans tunnel van ongeveer twee kilometer richting Zwitserland. Het was een aparte ervaring: wachten voor het verkeerslicht, de donkere tunnel inrijden en vervolgens weer uitkomen in een compleet ander berglandschap.

Via de Ofenpas (Pass dal Fuorn) op 2.149 meter reden we door een indrukwekkend landschap van bossen en hoge bergweiden. De weg was overzichtelijk en vloeiend, maar iedereen wist dat het echte spektakel nog moest komen. Bij Santa Maria Val Müstair begonnen we aan de klim naar de Umbrailpas.

De Umbrailpas was misschien wel de meest avontuurlijke aanloop naar de Stelvio. De weg werd steeds smaller en een deel van het traject was nog onverhard. Stofwolken verdwenen achter ons terwijl we langzaam hoger klommen. Het was geen pas om snel af te leggen, maar juist eentje om bewust te beleven. De stilte, de ruige omgeving en het gevoel dat we over een bijna vergeten bergweg reden, maakten dit traject onvergetelijk.

Bij de Zwitsers-Italiaanse grens kwamen we uit net onder de top van de beroemde Stelviopas, nog even het laatste stukje naar de top op 2.758 meter hoogte . Vanaf hier begon de eerste grote uitdaging van de dag: de afdaling richting de oosterlijke zijde. De 56 haarspeldbochten lagen onder ons als een enorm lint tegen de bergwand. Iedere bocht vroeg opnieuw concentratie, maar bood tegelijkertijd een uitzicht dat je eigenlijk niet wilde missen.

Langzaam daalden we af richting Prato allo Stelvio. De omgeving veranderde met iedere kilometer. De kale hoogalpiene wereld maakte plaats voor groene hellingen en uiteindelijk het dal van Zuid-Tirol. In Prato allo Stelvio was het even tijd om de indrukken te verwerken tijdens de welverdiende pauze. Overal stonden deelnemers na te praten over de eerste ontmoeting met deze legendarische pas.

Maar de Stelvio was nog niet klaar met ons.

Na de korte stop draaiden we opnieuw richting de bergen. Vanuit Prato allo Stelvio begonnen we aan de klim die de pas misschien wel zijn beroemdste aanblik geeft. De weg kronkelde opnieuw omhoog met de bekende opeenvolging van haarspeldbochten. Nu reden we de Stelvio vanuit de andere richting en ontdekten we een compleet ander karakter. Waar de afdaling eerder vooral technisch en geconcentreerd was geweest, voelde deze klim als een groot bergavontuur.

Boven op de pas namen we opnieuw even de tijd om rond te kijken. Twee keer op dezelfde dag de Stelvio rijden is bijzonder, maar vooral de verschillen tussen beide richtingen maakten deze ervaring uniek. De drukte van motorrijders en andere bergliefhebbers, het geluid van motoren die omhoog klommen en de indrukwekkende bergwanden rondom ons vormden een decor dat je niet snel vergeet.

Daarna volgde de afdaling richting Bormio. De weg was opnieuw een aaneenschakeling van bochten en lange afdalingen. Vanuit de auto zagen we de Stelvio langzaam achter ons verdwijnen, maar het gevoel van deze dag bleef.

Vanaf Bormio reden we verder richting Santa Caterina en de Gaviapas. Als de Stelvio indrukwekkend was door zijn bekendheid, dan maakte de Gavia indruk door zijn puurheid. Deze pas was smaller, ruiger en avontuurlijker. Op vele stukken was de weg nauwelijks breed genoeg voor twee auto's en langs de steile afgronden ontbraken vaak vangrails. Hier reden we met respect voor de berg.

Op de pashoogte van 2.652 meter vonden we onze prachtige picknick plek. Bij het Rifugio Bonetta en het Lago Bianco genoten we van het uitzicht. De stilte hier was bijna tastbaar. Alleen de wind, het geluid van een passerende motor en af en toe een marmot in de verte.

De afdaling vanaf het Lago Bianco begon meteen stevig. Een daling van veertien procent vroeg om geconcentreerd rijden. Via Ponte di Legno en later de wegen richting het Passo Mortirolo vervolgden we onze route. Ook deze pas had een eigen karakter: smal, technisch en bekend om zijn steile stukken. Geen spectaculaire panorama's zoals de Stelvio, maar wel puur rijplezier.

Aan het einde van de middag keerden we terug richting Bormio en daarna via de Passo del Foscagno terug naar Livigno. De tunnels en galerijen onderweg voelden inmiddels vertrouwd. Toen we het hotel bereikten, was iedereen moe maar voldaan.

Na het laatste tankmoment van de dag wachtte opnieuw een heerlijk driegangendiner. In de bar kwamen de verhalen vanzelf. Iedereen had zijn eigen favoriete moment: de 56 bochten van de Stelvio, het onverharde karakter van de Umbrail, de smalle Gavia of de stille schoonheid van het Lago Bianco.

Het was zonder twijfel de zwaarste en meest indrukwekkende dag van de hele rally geweest.

Maar morgen wachtte nog één laatste rit: de thuisreis. Een dag waarop we afscheid moesten nemen van de bergen, maar waarop de herinneringen al begonnen te groeien.

Dag 8 - De laatste kilometers, maar geen einde aan de herinnering

De laatste ochtend in Livigno voelde anders dan alle voorgaande dagen. Waar we normaal gesproken vol nieuwsgierigheid naar het routeboek keken, was er nu ook een klein gevoel van weemoed. Zeven dagen lang waren we onderweg geweest, iedere ochtend opnieuw verrast door nieuwe wegen, nieuwe landschappen en nieuwe uitdagingen. De auto stond klaar, de koffers waren gepakt, maar eigenlijk wilden we nog helemaal niet naar huis.

Toch lag er nog één mooie route voor ons. Niet zomaar een snelste weg terug, maar een laatste Alpenrit die perfect paste bij deze reis. We verlieten Livigno opnieuw via de bekende galerijen langs het meer. Het ochtendlicht viel over het water en de bergen rondom ons. Het was bijna alsof de omgeving nog één keer wilde laten zien waarom deze week zo bijzonder was geweest.

De éénbaans tunnel richting Zwitserland vormde opnieuw een mooi begin van de dag. Even wachten, de donkere tunnel inrijden en daarna weer uitkomen in het heldere berglandschap. Het voelde inmiddels vertrouwd. We hadden deze omgeving in korte tijd leren kennen, maar toch bleef iedere kilometer indrukwekkend.

Via Susch reden we richting de Flüelapas, de laatste grote pas van onze rally. Met zijn hoogte van 2.382 meter was het een passend afscheid. De weg klom rustig omhoog door het ruige landschap van Graubünden. De bochten waren inmiddels bijna vanzelfsprekend geworden. Waar we aan het begin van de week nog iedere haarspeldbocht voorzichtig verkenden, reden we nu met een vanzelfsprekend ritme. De samenwerking tussen bestuurder en navigator was gegroeid tot een geoliede combinatie.

Boven op de Flüelapas hielden we nog één keer halt. De motor tikte zacht na, de lucht rook fris en koud, en rondom ons lagen de bergen waar we de afgelopen dagen zoveel kilometers doorheen hadden gereden. In gedachten kwamen de mooiste momenten voorbij: de smalle Pragelpass, de nostalgische Klausenpas, de indrukwekkende Lukmanier, de haarspeldbochten van de Stelvio en de avontuurlijke Gavia.

Daarna volgde de lange weg richting Nederland. Langzaam veranderde het landschap. De hoge toppen maakten plaats voor lagere heuvels, de scherpe bergbochten verdwenen en de wegen werden breder. Toch bleef de sfeer in de auto bijzonder. We praatten na over kleine momenten die misschien nog wel het meest waren blijven hangen: een onverwachte koffiestop, een verlaten parkeerplaats hoog in de bergen, een kudde koeien die de route even blokkeerde, het moment waarop de wolken openbraken en een dal ineens volledig zichtbaar werd.

Want uiteindelijk waren het niet alleen de beroemde passen die deze reis onvergetelijk maakten. Het waren juist de vele kleine ervaringen onderweg. Het gevoel van vrijheid, het plezier van samen rijden en de wetenschap dat iedere volgende bocht iets nieuws kon brengen.

Vanaf de eerste kilometers in Luxemburg tot de laatste meters na de Flüelapas hadden we fantastisch weer gehad. Acht dagen lang droog, zonnig en perfect voor een toerrally. Met ruim 125 deelnemers hadden we een route gereden die nog lang in onze herinnering zou blijven.

Toen we uiteindelijk weer thuis kwamen, stond de auto stil, maar de reis was nog niet voorbij. Die ging verder in verhalen, foto's en herinneringen die steeds opnieuw werden opgehaald.

En ergens bleef altijd dat verlangen bestaan.

Nog één keer de sleutel omdraaien.
Nog één keer de eerste bocht insturen.
Nog één keer op weg naar de bergen.